Teksten

Het Tobameer en de Bataks

Met een shared taxi ging ik van Berastagi naar het Tobameer diep in het binnenland van Sumatra,. Ik had de mazzel voorin naast de bestuurder te zitten. Fijn voor mijn benen en het uitzicht. Na een lange rit over wegen van wisselende kwaliteit, op sommige stukken zaten diepe gaten, begon de afdaling naar het Tobameer dat diep beneden lag te schitteren in de zon, een enorme watervlakte met in het midden het schiereiland Samosir. Dat eiland is ongeveer 60 bij 30 kilometer groot en aan alle kanten omsloten door het meer, behalve bij een smalle landengte aan de noordkant.                                                                                       De rit eindigde in Paraprat waar ik op een kleine veerboot stapte naar Tuktuk dat aan de rand van het eiland ligt. Er waren vier andere reizigers op de boot, jong en met grote rugzakken en een paar inheemse jongens met zwart krullend haar dat tot op hun schouders hing. Ze deelden naamkaartjes van guesthouses in Tuktuk uit zonder op te dringen. De jongens waren Bataks wat de naam is van het volk dat Samosir en de oevers van het Tobameer bewoont. De Bataks zijn in de vorige eeuw door de missionarissen bekeerd maar in werkelijkheid belijden ze een mengvorm van christendom en animisme en spelen geesten van overleden voorouders nog een grote rol. Ze houden van varkensvlees en alcohol. De Batakse jongens hielden blijkbaar ook van lang haar.                                                                     Het bootje legde aan bij een steiger waar ik afstapte bij een paar vrouwen die met de was bezig waren en hard lachten om een voor mij onverstaanbaar en onbegrijpelijk grapje, waarschijnlijk omdat ik door het zeepsop stapte dat van de steiger afdroop.                                                                                                               Tuktuk was maar klein. Het bestond uit één weg die rond de kust slingerde en waar langs een hele reeks simpele guesthouses en eetgelegenheden lagen. Die waren meestal leeg want het was geen vakantietijd en Lake Toba is een beetje een vergeten plek.  Daar tussen stonden simpele houten huizen waarin Batakfamilies woonden. Hier en daar stond een traditioneel longhouse met gebogen spits toelopend dak, maar meestal was dat onbewoond hoewel er ook wel enkele longhouses te huur werden aangeboden.                                                                                                                Ik liep naar binnen bij een bord Libertas, waar ik mijn eigen naam in terug zag, en een zekere mr. Moon bood mij een ”bungalow” aan, een stenen huisje met een kleine veranda en uitzicht op het meer. Prachtig, deze bungalow leek me de ideale plek om een tijdje te ontspannen, te lezenn, stukjes te schrijven, foto’s te bewerken en dat af te wisselen met zwemmen in het meer en een wandeling . Er werden ook mountainbikes en brommer verhuurd zodat ik in Tuktuk en omgeving kon rond toeren en de dorpen en het dagelijks leven van de Bataks kon observeren.

Ik bleef uiteindelijk vijf dagen bij Libertas. Ik begon eindelijk aan De donkere kamer van Damocles, zat op de veranda te werken op mijn laptop of zomaar wat naar het gefluit van de vogels en het gekwaak van de kikkers te luisteren.                                Af en toe dook ik het water in dat dankzij vulkanisme op de bodem een heerlijke temperatuur had. Mr Moon verhuurde  in totaal zes bungalows. Er logeerde een merkwaardig samenraapsel van steeds wisselende jeugdige rugzakkers en enkele rust zoekende vijftigers of zestigers die hier voor langere tjd waren neergestreken zoals de Engelsman Adam die aan het Tobameer twee maanden zijn toevlucht had gezocht om de smog van zijn woonplaats Chiang Mai in Thailand, die in deze tijd het ergst is, te ontvluchten en Patrick, een sympathieke Amerikaanse vijftiger. Hij bivakkeerde er al een paar maanden en was ook nog lang niet van plan te vertrekken. De meeste jongeren die kwamen aanwaaien hadden het met een paar dagen wel weer gezien.

De dagen begonnen steeds met een koele ochtend met stralend weer, daarna werd het rond het middaguur warm en merkte je dat de vochtigheid toenam. Als de middag op zijn eind liep was er genoeg water uit het meer verdampt waardoor dikke wolken boven de bergen ontstonden en dan begon het even later soms te regenen, maar nooit lang. Er was op dat tijdstip steeds een heel speciaal licht boven het water rond dat tijdstip dat ik probeerde te fotograferen.

Op een dag maakte ik een ritje op een mountainbike maar de vochtige  middagwarmte maakte fietsen tamelijk zwaar dus een volgende dag huurde ik een brommer en verkende daarmee de Batakdorpen in de omgeving. Opvallend waren de longhouses, die soms mooi en goed onderhouden en soms in vervallen staat verkeerden, en vooral ook de vele grafmonumenten langs de wegen en aan de rand van de dorpen.                                                                                                   Bij de Bataks hebben de doden hun eigen plaats, aan de rand van het dorp, en hun huisvesting is van groot belang. Het zijn vaak complete familiemausolea met een merkwaardige soms bizarre architectuur en een mengsel van christelijke symbolen (een kruis) en magische voorstellingen zoals maskers en dieren. Mr Moon vertelde me dat Bataks soms veel geld uitgeven om zo’n mausoleum te laten bouwen. Het is erg belangrijk om de dode familieleden rustig en tevreden te houden. Een boze overledene kan een gevaarlijke geest worden en onheil aanrichten. Op deze manier worden dan ook vaak tegenslagen zoals ziekte en ongelukken verklaard.

Tegenwoordig zijn er ook veel Bataks naar de grote steden verhuisd, beter opgeleid en met een baan, of ze wonen zelfs in het buitenland. Met hun geld laten deze bataks in hun dorp soms veel duurdere en grotere grafmonumenten bouwen als voorheen gebruikelijk was. Dat verklaart misschien de grote surrealistische bouwsels die ik hier en daar langs de weg zag.                                                        Eigenlijk zou ik elk jaar minstens een maand aan Lake Toba moeten gaan zitten. Het meer en de omgeving is prachtig en het voortdurend veranderende licht een lust voor het oog. Genieten van licht, water en het verstrijken van de tijd en de wereld maar z’n gang laten gaan. Die lijkt hier echt heel ver weg.

ORANG OETANGS

Vanuit Bukit Lawang trok ik met drie Engelsen en een lokale gids het Gunung Leuser National Park in, een groot beschermd natuurgebied dat enkele honderden vierkante kilometers beslaat in het Noorden van Sumatra. Het enorme gebied bestaat vrijwel volledig uit primair regenwoud wat betekent de mens nooit heeft gekapt of invloed op het woud heeft uitgeoefend, echt oerwoud dus.                        Dus werd het ook geen wandeling over aangelegde bospaden. Het was vooral klauteren en glibberen over rotsblokken, door modderpoelen en struikelen over dikke boomwortels. Voorzover er paadjes waren waren die heel smal en vaak zeer steil en je kon ze soms nauwelijks kon zien door de dichte begroeiing. Behoorlijk uitputtend bij de hoge luchtvochtigheid en de warmte die vooral in de lager gelegen stukken associaties met een sauna opriep.                                                                Het duurde niet lang of ik had de eerste bloedzuiger te pakken op mijn been.      “it’s ok, it sucks the bad blood away” zei de gids als troost.

Het woud was zo dicht dat je nooit verder dan een paar meter kon kijken en je dus ook absoluut nergens op kon oriënteren. Soms leek het of we alleen maar rondjes liepen maar dan zag ik ineens weer heel diep beneden een felle schittering door het gebladerte en ik wist dat daar in de diepte de rivier moest zijn die we stroomopwaarts over de bergkam langs de oever volgden.                                     De eerste apen dienden zich al snel aan: makaken met een lange staart, Thomas Leaf aapjes en staartloze grote gibbons . De gibbons maakten met z’n allen een hoog huilend geluid om hun territorium te markeren.                                                   Ik kwam aan de weet dat apen met een staart monkeys genoemd mogen worden maar dat je apensoorten zonder staart apes moet noemen en dat zijn behalve gibbons natuurlijk ook alle grote mensapen als oerang oetangs en gorilla’s.          Op rotsblokken waar de zon doordrong lag een grote hagedis van wel anderhalve meter lang. Vanaf een hoge boon steeg een vogel met een grote gebogen oranje snavel op: een neushoornvogel.                                                                                      In het Gunung Leuser leven op grotere afstand van de bewoonde wereld ook rhinocerossen, tijgers, luipaarden en olifanten maar om enige kans te maken die tegen te komen moet je trekkings van zeker een week tot tien dagen maken.

Toen ons groepje, uitgeput van de klim en doorweekt van het zweet even wilde gaan zitten zei de gids dat we snel moesten afdalen aan de andere kant van de heuvel. Hij had een seintje gekregen dat er verderop minstens één orang oetang gesignaleerd was.                                                                                                       Het bleek om een vrouwelijke orang oetang te gaan en we zagen haar tussen de boomtakken slingerend aan haar lange ledematen te voorschijn komen bij een kleine open plek langs de rivier . Blijkbaar kwam ze op ons af om te kijken of we iets te eten bij ons hadden. De gids had bananen, wortels en schillen van ananas voor haar. Dat geeft meteen al aan dat dit vrouwetje halfwild was. De volledig wilde dieren nemen geen eten van mensen aan. Ik hoorde later dat zij een tijd in het orang oetang rehabilitation center had gezeten waar onder meer dieren worden opgevangen die tijdelijk verzorging nodig hebben, bijvoorbeeld omdat ze door stropers verwond zijn.

Al gauw kwam haar jong van een jaar of drie oud aanslingeren, nog een beetje onhandig in het kiezen van de sterkste lianen waardoor hij af en toe een stukje omlaag tuimelde als er een liaan afbrak. Later bleek er ook een mannetje hoog in een boom te zitten maar hij was wel een volledig wilde orang oetang en zocht geen contact.                                                                                                                                  De opvoeding van een Orang Oetangjong door de moeder duurt zo’n zeven jaar. In die tijd leert de moeder het jong om te overleven in het woud. Deze moeder was aanvankelijk nauwelijks bereid om iets van het fruit met het jong te delen. Pas toen het jong begon te krijsen kreeg het van de moeder een handvol fijngekauwd voedsel.                                                                                                                             Of de man in de boom de vader van het jong was is niet zeker. Orang oetangvrouwen hebben in hun leven meerdere partners, maar ze worden hooguit eens in de acht jaar zwanger.                                                                                         Na de zware tocht was het een mooie beloning om zo dicht bij deze prachtige dieren te zijn. Overigens komt het DNA van de orang oetang voor 96,4% overeen met dat van de mens.

et maken van goeie foto’s was best lastig vanwege de donkere schaduwen in het bos en de zwarte gezichten van de orangs, maar het geduld werd beloon toen de moeder naar een boom klom die toevallig beter in het licht stond zodat ik ook een aantal goeie foto’s met natuurliHjk licht kon maken.

Na de ontmoeting met de orang oetangs vervolgden we de voettocht. Er kwam een heel lange klim over een helling die op plaatsen zo steil en glad was dat we as orang oetangs ook op handen en voeten omhoog moesten kruipen.Uiteindelijk daalden we diep af, naar de rivier, waar het kampement bleek te zijn voor die nacht.Ik nam een verfrissende duik in het heldere water. Onze nassi goreng bleek al aanwezig. Het was te voet door een koerier gebracht die daarvoor zeker tien kilometer over een smal voetpaadje langs de rivier had gelopen. Daarna was er niets behalve de duisternis buiten het kampvuur, het geluid van het snel stromende water en de vreemde geluiden uit het woud.

DE TSUNAMI, ACHT JAAR LATER

Het regent pijpenstelen wanneer ik in de taxi zit van de luchthaven van Bandah Aceh naar de stad. De eerste dag in Indonesië en meteen ook de eerste dag dat het regent. Vanwege de zondag zijn de rolluiken van de winkels zijn omlaag. Op straat liggen grote regenplassen waarin afval rond drijft. Ik neem een kamer in hotel Wislata waar het in de lobby ruikt naar rook en volle asbakken en het personeel met een sjagrijinig gezicht rondhangt in de lobby.

Op mijn kamer hangt een broeierige hitte en het ruikt naar klamme lakens. Ik speur onwillekeurig de vloer af naar kakkerlakken. Welkom in Aceh, of Atjeh zoals wij Nederlanders het eeuwenlang hebben gespeld.                                                        Toch is Bandah Aceh best wel een aardige stad, al had ik die indruk nou niet meteen bij mijn aankomst. De vele nieuwe gebouwen en de brede wegen heeft de stad echter te danken aan de tragedie die zich op Tweede kerstdag 2004 afspeelde. Een vijftien, sommigen zeggen vijfentwintig meter hoge vloedgolf spoelde over de stad en honderden kilometers bewoonde kuststreken naar het zuiden. De grootste bekende tsunami ooit maakte in Aceh alleen al 150.000 slachtoffers, meer dan in alle overige landen bij elkaar. Een op de drie inwoners verdronk.

Na de tsunami kreeg Atjeh letterlijk te maken met een invasie van NGO’s en andere hulpverleners en dat leidde ertoe dat het gebied eindelijk internationale aandacht kreeg. De grote ramp maakte een eind aan de al decennia woedende strijd tussen de rebellen die voor onafhankelijkheid streden en het Indonesische leger. Atjeh kreeg een autonome status. Dat maakte het onder meer mogelijk als enige Indonesische deelstaat een gedeeltelijke sharia in de rechtspraak door te voeren. Die wordt overigens zeer gematigd toegepast.

De volgende dag is het eerste dat ik doe een paraplu kopen en daarmee wandel ik naar het tsunami-museum, nadat ik in de grote moskee ben geweigerd vanwege mijn korte broek. In het museum loop je eerst door een gang waar water van de muren stroomt en dan kom je in een halfduistere ronde ruimte met grijze muren waarop duizenden namen staan. Dit zijn echter alleen de namen van degenen die geidentificeerd konden worden. Het is een sobere gedenkplaats, er klinkt geen muziek. Op lage zuiltjes zijn aangrijpende foto’s te zien. Nog meer onder de indruk ben ik van de tien minuten durende film die in de videozaal wordt vertoond, gemaakt tijdens de ramp van allerlei los amateurmateriaal en heel goed gemonteerd.

Als ik weer buiten kom zie ik dat het museum wordt begrensd door een oud Nederlands Kerckhof. Als liefhebber door ik een tijdje tussen de graven van gesneuvelde kolonels, kapiteins en gewone soldaten van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger en hun familieleden.De meeste graven dateren uit de periode 1880 tot 1930 toen het Nederlandse bestuur een felle oorlog uitvocht met de Atjehse guerilla. Op een bord staat in het Nederlands en het Indonesisch dat een aantal graven onherstelbare schade hebben opgelopen tijdens de tsunami,

Met een becak, een motor met overdekt zijspan, laat ik me vervolgens naar de kust rijden. Als we er bijna zijn wijst de bestuurder naar wat een grasveld lijkt met een paar gebouwtjes langs de weg. Ik stap uit en loop erheen. Het glad geschoren grasveld, dat een beetje glooiend is aangelegd, blijkt een massagraf te bedekken van ongeveer 15.000 tsunami-slachtoffers. Er zijn in totaal vier van dergelijke massagraven in Atjeh. Ik sta  nu bij het kleinste dat is aangelegd naast de overblijselen van het verwoeste ziekenhuis. Hier werden in de chaotische dagen nav de tsunami vele lijken naartoe gebracht en wanneer identificatie niet mogelijk was meteen begraven. Over het gras zijn diverse granieten rotsblokken neergelegd. Zoals het op een islamistische begraafplaats hoort is er geen plaats voor franje of gedenktekens.

De becak brengt me verder naar de kust. Ik zie geen duinen en geen dijken. De stad Bandah Aceh ligt precies op zeeniveau. Er zijn geen duinen langs de kust en evenmin is er een zeedijk. Toen de tsunami kwam had Bandah Aceh geen enkele bescherming tegen de vloedgolf. Nu ligt er een stenen wal een eindje in zee van een paar meter hoog. Ik vraag me af of dat een eventuele volgende keer veel zal helpen.

De schilder Armando noemde zijn serie over plekken waar in de Tweede Wereldoorlog gruwelijke dingen waren gebeurd Schuldig Landschappen. Ik heb het gevoel hier in een ander schuldig landschap te zijn, en zoals altijd oogt het landschap uiterst onschuldig. Een klein strandje waar ik een kokosnoot leeg slurp en kijk naar kinderen die spelen in de branding waar enkele waterfietsen dobberen.

Of toch niet? Ik ontdek tussen het struikgewas resten van huizen, fundamenten, stukken ingestorte muur. Hier was misschien een restaurantje of er woonden vissers. Over hun lot hoef je niet lang te twijfelen. Ik probeer me een golf van 15-25 meter hoogte voor te stellen, maar het lukt me niet. Misschien als een muur van water die met hoge snelheid op je komt afstormen?

De tsunami werd die zondagochtend voorafgegaan door een zware aardbeving (9 + op de schaal van Richter) die meteen al een heleboel schade aanrichtte. Natuurlijk ontstond er in de dat paniek, angst en chaos zoals altijd meteen na een aardbeving. Alleen de mensen die aan de kust waren zagen dat er iets vreemds gebeurde met ze oceaan. Het water trok zich naar de laatste aardbevingsschok opeens heel snel een heel eind terug van het strand, een grote leegte achter latend. En dat terwijl het vloed was. Wie de betekenis van dit verschijnsel kende had op dat moment tien minuten tiid om zich in veiligheid te brengen. Alleen zijn er geen heuvels achter het strand, hooguit daken van huizen en die zijn geen vijftien meter boven de grond.                                                                                                 In de stad had niemand iets in de gaten en heerste alom de schrik van de aardbeving en de angst voor een tweede beving. Even later golfde het water met hoge snelheid de stad binnen en de stroom nam alles mee. Ik zag op de film in het museum hoe grote vrachtwagens, bussen, schepen en zelfs een electriciteitscentrale als speelgoed door de straten dreven. En hoe mensen kansloos voor het water uit renden.

Nu acht jaar later zijn de NGO’s vertrokken, de stad is herbouwd en ziet er nieuw en aantrekkelijk uit. Er zijn enkele landmarks die herinneren aan de tsunami, zoals het boothuis in het noorden van de stad. Ik loop er heen en moet diverse keren vragen. Men wijst mij lachend en grapjes makend de weg, zoals altijd in Indonesië. De vissersboot die op een huis belandde is een internationaal bekend merkteken geworden en daarom is het bewaard. De boot is intussen ingeklemd in een stalen frame om hem op zijn plaats te houden. Ik vind het eerst vrij bizar om van deze plek deen bezienswaardigheid te maken en met de hekjes en trapjes waarmee je tot vlak bij de boot kan klimmen een rare attractie. Maar dan besef ik dat deze boot 59 mensen heeft gered die er bovenop hebben kunnen klauteren. En dat die mensen hier wonen. Net zoals degenen die het niet gehaald hebben hier ook woonden. In de huizen die ik om me heen zie, in deze wijk. Ik loop een straatje in en een oudere man kijkt me onderzoekend aan en mompelt iets als ik hem groet. Vrouwen lachen een beetje schuw als ik er aankom. Ik voel me een indringer, bijna een ramptoerist, maar ik heb het gevoel dat ik hier de enige ben die daar last van heeft.

Toen het water begon te zakken bleek dat onder de boot die op het huis was beland zich een grote krokodil had schuil gehouden. Het dier was door de vloedgolf uit de naburige rivier hierheen gespoeld maar het heeft geen enkel slachtoffer gemaakt onder de mensen die op de boot zaten.  Dankzij de goedheid van Allah,  is de conclusie op het informatiebord ……

aanvulling:

Voor Nederland is Atjeh ook een bekende naam uit het koloniale verleden vanwege de Atjeh-oorlogen die eind negentiende, begin twintigste eeuw door de Nederlanders werden gevoerd tegen de opstandige Atjehse rebellen. Dertig jaar duurde het voor het koloniale gezag Atjeh onder controle had. Een tijdje na de onafhankelijkheid namen de Atjeh-ers weer de wapens op voor hun verlangen naar zelfstandigheid, deze keer tegen het Indonesische leger. Amnesty meldde allerlei schendingen van mensenrechten van beide kanten. In 2005 werd een bestand gesloten en Atjeh autonoom binnen Indonesië. Tot nu heeft de vrede stand gehouden.

PENANG

Ik was net een dag te laat voor de grote viering van het Chinese Nieuwjaar, dus toen ik ’s middags in Georgetown op het Maleisiche eiland Penang aankwam bleek de hele stad nog op een oor te liggen. Op straathoeken en bij Chinese tempeltjes stonden podia omringd door de resten van vuurwerk. Ik meende zelfs nog een beetje kruitdamp te ruiken.                                                                                     De Chinezen maken een groot deel van de bevolking van Georgetown uit. Het oude gedeelte van de stad bestaat in feite uit een groot deel Chinatown en een kleiner Little India, met aan het zeefront een aantal grotere gebouwen in de Britse koloniale stijl en voormalige pakhuizen.                                                                 Georgetown is de meeste multiculturele plaats die ik ooit gezien heb. Op een wandelingetje van een half uur kun je je in diverse culturen onderdompelen.      Mijn hotel wordt gerund door Chinezen en als ik de hoek omsla kom ik Chulia Street  bij een Confuciaanse tempel waar de hele dag door mensen zitten en regelmatig een gong galmt. In het restaurantje ernaast kun je noodlegrechten eten. Loop ik verder dan kom ik op Chulia street en daar staan de Maleiërs met hun mobiele karretjes met allerlei soorten nassi en gebakken snacks. ’s Avonds komen er de mobiele eettentjes bij, met een grote wok op het vuur, waar je voor een stuiver en zittend langs de straat op een laag plastic krukje een bakje rijst met vis, kip of groente kan eten.

Aan het eind van Chulia Street gaat Chinatown geleidelijk over in Little India. Onmiskenbaar met videowinkels die Bollywoodfilms verkopen en grote filmaffiches met Indiase sterren. Populaire Indiase muziek schalt door de straat en er zijn een heleboel eethuizen waar je een thali, naan, pulao of lassi kan bestellen. Hier heerst de drukte van een Indiaas stadje en de gezichten verraden vooral veel Tamil-afkomst uit Zuid India. Het is er er veel vrolijker dan in het een beetje kwijnende Chinese gedeelte                                                                                                    Het eind van Little India bestaat uit een drukke verkeersweg waaraan diverse kerken liggen, een baptistische, een katholieke, een anglikaanse en een stel mij onbekende genootschappen. Hier ligt ook het mooie Penangmuseum dat de geschiedenis van het eiland en van alle immigrantengroepen laat zien. Daar hoorden onder meer ook Arabieren, Armeniërs, Joden, Japanners, Thai en Birmezen bij.

Aan de overkant van de weg ligt het fort dat door de Britten is gebouwd, onder meer om Penang uit handen van de Hollanders te houden. daarnaast ligt een groot grasveld. Als je dat oversteekt sta je aan de kade en kijk je uit op de smalle zeestraat die Penang scheidt van het vasteland maar waarmee Penang tegenwoordig via een brug van 13 kilometer is verbonden.                                  Aan zee staat een briesje en ’s avonds verzamelen zich hier ouders met kinderen, jonge stellen, toeristen en oude mannen die een potje komen schaken onder een grote Banyanboom. Hier en daar kijkt een jongere man in zijn eentje uit over het water. Misschien denkt hij over emigreren, zoals zijn voorouders ooit in India, Bengalen of op Ceylon deden voor ze de oversteek naar hier maakten.

Ironisch genoeg krijgt het immigratie-eiland Penang op de dag dat ik het National Park wil bezoeken, dat vrij afgelegen op de uiterste noordwestpunt ligt, bezoek van een groep bootvluchtelingen uit Myanmar*. Als ik bij de ingang van het park aankom krijg ik te horen dat het vandaag gesloten is. Reden onbekend. Dan vang ik op dat er ontsnapte crimininelen in het dichte bosgebied zouden rondzwerven. Later kom ik er achter dat dat een benaming is voor illegale immigranten die in het holst van de nacht voor de kust worden afgezet en via de onherbergzame jungle van het Park het land proberen binnen te komen.

* Die bootvluchtelingen zijn Rohingya, een islamitische minderheid uit West Myanmar, die te maken heeft met een soort etnische zuivering door de Boeddhistische meerderheid in hun dorpen. De Rohingya wonen al eeuwen in Birma maar worden nog steeds gezien als vreemdelingen.

DE SLEEPER VAN BANGKOK NAAR HAT YAI

De sleeper express van Bangkok Naar Hat Yai doet een halve dag en een nacht op de rit naar het diepe zuiden van Thailand van waar ik hoop dat ik vandaag nog een bus vind die me de grens met Maleisië over brengt. In het begin, toen het nog licht was, zag ik een paar taferelen die ik graag had willen fotograferen. Op een brug over een kanaaltje bij Bangkok stonden vlak naast de rails een stuk of vier jongetjes in zwembroek tussen negen en dertien jaar. Omdat de trein hier nog langzaam reed kon ik zien dat de oudste met een stoer gebaar een sigaret in zijn mond stak en tussen de ijzeren spanten van de brug een aansteker te voorschijn haalde die hem vervolgens uit zijn vingers glipte en in het water viel. Nog net voor het groepje uit beeld verdween zag ik de ongelovige verbouwereerde blik van de jongen met de nu zinloze sigaret in zijn mond en de grijns die verscheen op de gezichten van de jongere broertjes of vriendjes.

Een eind verder zag ik op een kaal en dor stuk boerenland een man die een vrouw uit een rolstoel hielp en haar in zijn armen een paar stappen probeerde te laten zetten. Zo verwijderden ze zich samen een paar meter van de lege rolstoel die als een vreemd misplaatst ding in de verlatenheid bleef staan.                                   Toen werd het donker. De banken werden door het treinpersoneel tegen elkaar aan geschoven zodat er boven en onder ligplaatsen ontstonden, die voorzien werden van een zacht matrasje, een dun dekentje en een hoofdkussen. Dit was de meest comfortabele slaaptrein die ik ooit had meegemaakt.                                      Ik kon me zelfs strekken op mijn couchette die langer was dan in de Europese en Indiase treinen doordat ze in de lengterichting van de trein lagen in plaats van in de breedte.

Ik werd wakker toen de trein op een station stond en passagiers met hun bagage door het gangpad liepen. Door het dunne stukje doek voor het raam kwam het eerste daglicht  naar binnen. Ik schoof het gordijn open en zag in het schemerige ochtendlicht palmbomen, bananenbomen en rijstvelden waar water op stond. In de verte stonden grillige alleen staande bergen die op puisten leken en voor het eerst op mijn reis zag ik regenwolken.                                                                                  Het landschap was veel groener geworden, en er was veel meer water. Het personeel begon de bedden op te ruimen. Ik voelde me een beetje verfrommeld doordat ik me niet kon wassen maar ik genoot van het gevoel dat ik sinds Bangkok al zeker 1000 kilometer had afgelegd in de richting van de evenaar.                              In een paar minuten kwam de zon boven het land omhoog. De dag was begonnen. Een groepje witte vogels scheerde boven een boom met grote trossen bloemen.

Ik was de enige buitenlander in dit gedeelte van de trein. De Thaise medepassagiers gedroegen zich kalm, bijna sereen zacht pratend, zonder hard gelach of uitroepen. Het personeel ruimde met mondkapjes de slaapplaatsen en ging rond met afvalzakken, er kwam een jongen met bekers koffie rond, een andere met een soort koeken en een vrouw met bananen en stukjes ananas.        Ik vroeg aan een van de dames van middelbare leeftijd die de slaapcompartimenten inrichten hoe lang het nog duurde naar Hat Yai, volgens de tabel zouden we er bijna moeten zijn.                                                                  “Nooo…nine o’ clock….ninety minutes” antwoordde ze In de typische slepende manier waarop de Thai, en ook de Birmezen Engels praten, monotoon en zonder accenten.

De zon scheen een half uur na opkomst fel door het raam in mijn ogen. In mijn gekoelde compartiment kon ik me voorstellen hoe het buiten nu al plakkerig warm begon te worden.                                                                                                      Hat Yai heb ik eigenlijk niet gezien want al op het perron werd ik aangeklampt door een jongeman die vroeg waar ik naartoe wilde. ”Malaysia…okee,come on, minibus.”

De minibussen bleken te vertrekken vanaf een straat tegenover het station. Een half uur later reden we Hat yai al uit. Ik kon nog net een paar flitsen van het begin van de Chinese Nieuwjaarsviering opvangen. Een rij van wel twintig mannen kwam met een meterslange papieren draak aanlopen en uit een andere straat verscheen een muziekkorps.                                                                                                        Een klein uur later was ik zonder problemen de grens over en zat in een ander land met een andere taal en geschiedenis: Maleisië

DE TREIN NAAR HSIPAW

In Hsipaw rijdt elke dag om half vier, of meestal later, de trein uit Mandalay binnen. Ook komt er dagelijks een trein in de omgekeerde richting. Minstens een uur van tevoren zitten de verkopers van fruit en andere etenswaren al klaar op het perron.                                                             De  vier of vijf ouderwetse verbleekte lichtblauwe en roodachtige wagons worden getrokken door een diesel. De trein rijdt over een enkele smalspoorlijn die ook dateert uit de koloniale tijd. De rails sluiten na al die jaren niet meer zo precies recht op elkaar aan waardoor de wagons af en toe enorm slingeren en schokken. Het is vrijwel onmogelijk om tijdens het rijden door de trein te lopen ook al rijdt hij niet harder dan zo’n veertig kilometer per uur. Soms lijkt hij zelfs bijna te ontsporen Ik ben ook met die trein in Hsipaw gearriveerd. Ik vertrok vanuit het oude Britse hillstation Pyin Oo Lwyn, waar vroeger het hele koloniale bestuur vanuit Rangoon naartoe verhuisde tijdens de hete periode. Om acht uur ’s morgens was ik op het stationnetje van Pyin en kocht bij de stationmaster een ticket dat zes dollar kostte, speciaal voor buitenlanders want die moeten in dollars betalen. Ik verbaasde me er over dat nog alles met de hand gaat. Mijn naam en nationaliteit werden genoteerd in een groot verfomfaaid notitieboek met ruitpapier waarin alle reizigers sinds vele jaren worden bijgehouden. Op tafel lag nog een hele stapel van zulke boeken.                     Geleidelijk voert de rit dieper het hoogland van de Shan in. Dit uitgestrekte gebied dat grenst aan China behoort aan de Shan, een van de niet Birmaanse bevolkingsgroepen ofwel minderheden. De Shan zien zichzelf echter helemaal niet als minderheid maar als een zelfstandig volk en net als de Karen, de Kachin en andere groepen verzetten ze zich al sinds de onafhankelijkheid tegen het centrale gezag in Yangon en willen ze op zijn minst autonomie.Het Birmese regime heeft deze wensen tot nu toe altijd met uitermate grove onderdrukking beantwoord.

Na een paar uur komt de trein bij het Gokteik viaduct een uit 1903 stammend stalen bouwwerk dat een diepe kloof overbrugt. De trein rijdt er stapvoets overheen, het oude staal kraakt en kreunt.

Er volgen daarna nog vier uur hobbelen langs afwisselend akkers, plukjes bos die de schrikbarende ontbossing hebben overleefd en dorpjes met fraaie teakhouten huizen en onverharde paden waarover waterbuffels sjokken.                                 Naarmate de middag vordert wordt het warmer en ik ben blij als we in Hsipaw aankomen. Net als op andere stationnetjes wordt de trein meteen belaagd door allerlei verkopers, meestal vrouwen, die fruit, pinda’s, steaks geroosterd vlees en ander eten aanbieden.

Ik zou iedere reiziger in Birma willen aanraden minstens een keer de trein te nemen in plaats van de bus. Wissels worden met de hand omgezet en er wordt gevlagd en gefloten bij het vertrek. Handelaren onderhandelen met de conducteur over de prijs voor het vervoeren van een lading tomaten, meel of geslachte kippen.                 De Birmese trein is, net zoals veel dingen in dit land, in al zijn eenvoud terug gebracht tot de simpelste essentie van wat een trein is.

DE HAVEN VAN MANDALAY

Mandalay is zo’n naam die tot de verbeelding spreekt en romantische oriëntaalse beeldenoproept, maar de huidige stad in het midden van Birma is in werkelijkheid een karakterloze betonnen woestenij doorsneden door eindeloze kaarsrechte verkeerswegen met nauwelijks plaats voor voetgangers die bovendien moeten uitkijken om niet een open riool te vallen. Terwijl Yangon ook ernstig verwaarloosd is, maar toch ook nog de charme heeft van veel oude koloniale gebouwen, zie je in Mandalay bijna alleen maar nieuwbouw die na tien jaar alweer rijp lijkt voor de sloop.

Omdat ik er in het droge seizoen was en het al een half jaar niet meer had geregend zat de lucht vol heel fijn stof dat samen met de vervuiling van goedkope benzine en slechte motoren zorgde voor een cocktail waarvan mijn slijmvliezen op tilt gingen. Ik kreeg na één dag een lopende neus, waterige ogen en hoofdpijn. Maar ik wilde Mandalay, dat eigenlijk de oude hoofdstad van Birma is en ook het feitelijke economische centrum, toch leren kennen en bovendien had ik er een betaalde fotoklus te doen.

Te voet is Mandalay niet te belopen. De stad is enorm uitgestrekt en een echt centrumgebied is er niet. Het gedeelte dat downtown genoemd wordt is het minst aantrekkelijk want daar zijn de wegen nog breder en voller en hangt de smog het zwaarst.                                                                                                                       Ik deed wat me het verstandigste leek en huurde een fiets. Vanaf dat moment was ik onderdeel van de verkeerschaos en ik stortte me met brutaal plezier in de stroom. Er zijn daar geen regels behalve die ene die altijd geldt in steden als deze: groot en snel heeft altijd voorrang op klein en langzaam. Fietspaden zijn er niet evenmin als trottoirs. Je deelt de weg met voetgangers, brommers, auto’s, bussen en vrachtwagens. De fiets is de laagste in rangorde, op de voetganger na. Zolang je mee dobbert met de verkeersstroom gebeurt je niet gauw iets. Als je maar niet opeens iets heel onverwachts doet of je aarzelend gedraagt. In steden zonder verkeerslichten, zonder borden en zonder voorrangsregels beschikken de weggebruikers vaak over een heel goede radar voor elkaar maar hun acties moeten ook voorspelbaar zijn.

Alle toeristen gaan in Mandalay naar het voormalige koninklijk paleis en naar de Mandalay Hill om vanaf die heuvel waarop een tempel staat de zonsondergang te fotograferen. Ik fietste juist de andere kant op, waar ik wist dat de Ayeyarwaddi moest zijn, de grootste rivier van Birma.                                                                                                              Geleidelijk kwam ik in een rustiger buurt, stak een fraaie teakhouten brug over een kanaal over en opeens was daar de brede rivier en ook meteen het eind van de stad. Ik keek uit op een soort haven hoewel dat woord een beeld oproept van grote schepen aan een kade en draaiende kranen en dat was er allemaal niet. Er lagen alleen een heleboel platte houten schuiten van een of twee verdiepingen hoog, niet aan een kade maar gewoon in de modder en door loopplanken verbonden met de oever Op die loopplanken was het een komen en gaan van mannen en jongens, soms nog kinderen, die bijna rennend zware ijzeren bakken met vis, graan, groente en andere lading aan of van boord brachten. Ze hadden allemaal een een lungi om en hun bovenlijf ontbloot. Af en toe kwam er een Chinees vrachtwagentje zonder motorkap voorbij rijden om een stapel van die bakken op te halen en liet daarbij een pikzwarte wolk roet achter. Het stonk naar bederf en er hing een enorme stofwolk boven het hele tafereel. Midden tussen de rennende werklieden zag ik een blote peuter met zijn vingertjes in het afvalwater roeren. Iets verderop de oever stonden rieten hutten waar de werkers in woonden naar ik aannam. Er hing was te drogen. De zon was heet en mijn keel brandde. Een paar vrouwen riepen me iets na en lachten toen ik voorbij kwam.

Het drong tot me door dat ik een haven zag zoals de havens in de oudheid er uit moeten hebben gezien, even los van de paar Chinese vrachtwagentjes. Verder was niets gemechaniseerd, alles ging met spierkracht. En de boten waren eeuwen en eeuwen oud. Het fascineerde me en ik bleef een hele tijd kijken en probeerde het in een beeld te vangen en intussen raakte ik ­langzaam net als de hele omgeving bedekt met een dikke laag stof.

DE BOOT NAAR PHA-AAN

Myanmar is geen land zonder toeristische infrastructuur. Maar het toerisme is in Birma nog een beetje pionierswerk. Het leuke is dat je het toeristische circuit ook nog deelt met de Birmanen zelf. Je maakt gebruik van dezelfde lokale voorzieningen die de Birmanen gebruiken, zoals bussen en treinen, guesthouses en restaurants. Hier en daar heeft men echter iets speciaals voor buitenlanders bedacht, geen grote attracties maar iets dat net een extra mogelijkheid biedt. In Moulmein bleek ik met een boot stroomopwaarts over de Salween naar Pha-aan te kunnen varen.

Tot niet zo lang geleden voer op deze route een reguliere bootdienst, maar de verbeterde wegverbinding heeft deze bootverbinding voor de Birmanen zelf overbodig gemaakt. Er bleef echter een leuke tocht bestaan voor buitenlanders die een boottochtje wel aanlokkelijk vonden als afwisseling van het busreizen.

Ik kocht een ticket bij het Breeze Guesthouse en kwam op de afgesproken tijd met mijn bagage daarheen. Er bleek nog een Engels drietal en een Vlaams stel mee te varen.

We werden eerst met een pickup naar een aanlegplaats gereden. Het bootje bleek een gemotoriseerde kano te zijn waaruit de bankjes waren weg gehaald en vervangen door zeven plastic stoelen op een rijtje. Voor alle zeven passagiers een stoel, drie Britten, drie Belgen en ik.

In de vroege ochtend hing er nog een zachte nevel over de enorme watermassa van de Salween, Birma’s tweede rivier. Het bootje tufte door het bijna spiegelgladde water en de schipper voer vrij dicht langs de oever waar kleine dorpjes te zien waren die leefden van de visvangst. De vissers voeren in korte kano’s uit en even verderop zag ik een jong meisje dat zich onderdompelde in de rivier en haar lange zwarte haar uitwrong met haar handen. Een enkel dorp had een kort stukje zand langs het water waar soms een groepje blote peuters speelden. In de vroege ochtend leek de wereld hier wel een plaatjesboek, het ene beeld nog mooier dan het andere. Wanneer er geen bewoning was te zien keken we vaak uit op rijen bananenbomen of op met gras begroeide zandbanken.

Het stadje Pha-aan had niet echt veel om het lijf. Het was er warm en vochtig en van een Boeddhistisch tempelcomplex klonk een luidsprekerstem die onafgebroken mantra’s reciteerde. Ik betrok een raamloze kamer met ventilator bij de Soe Brothers. De oudste Soe Brother zat achter de receptiebalie en hield het allemaal niet meer bij. Te veel aanmeldingen en ook weer afzeggingen en dan nog de mensen die niet kwamen opdagen en niemand die van tevoren wist hoeveel dagen hij of zij wilde blijven. Panisch heen en weer bladerend in zijn notitieblok met namen en data leek de oudste van de Soebrothers het slachtoffer te zijn geworden van het explosief gestegen aantal bezoekers aan Birma.

De volgende dag vertrok ik weer snel uit Pha-aan. De opdreunde stem had de hele nacht door het stadje geklonken. Ik wist dat het geen tape was maar live werd gebracht want ik had de monnik ’s middags voor zijn microfoon zien zitten toen ik een kijkje ging nemen bij die tempel. Twee andere monniken zaten erbij om op te letten dat hij niet in slaap viel of regels oversloeg en om de zoveel tijd wisselden ze elkaar af. Zo hoorde het nu eenmaal, niemand in Pha-aan die het vreemd vond behalve ik.

TRISHAW IN BAGO

In de stad Bago scheen je de grootste dichtheid aan tempels en kloosters te hebben van heel Birma. Helaas begon ik net toen al een beetje verschijnselen van tempelmoeheid te vertonen. Hoe prachtig ze ook zijn, uiteindelijk zijn alle tempels in Birma variaties op hetzelfde grondtype: een cirkel van kleinere en grotere bidplaatsen en beelden rond om een ronde goudkleurige stupa die in de vorm van een omgekeerde kelk met de punt omhoog de hemel in wijst. Meestal moet je om op het niveau van de tempel te komen een hoop trappen beklimmen, op je blote voeten want je schoenen moet je beneden achterlaten.

Ik liep mijn hotel uit met het idee dat als ik ging wandelen ik vanzelf wel langs een paar van die beroemde tempels zou komen en dan zou ik wel zien. Ik ging natuurlijk eigenlijk meer op stap om het straatleven in Bago te bekijken.                                                                             Het pakte anders uit. Ik liep een stuk langs een afschuwelijk drukke weg, sloeg daarna een andere drukke weg in en vond toen een rustige weg terwijl in de verte enkele goudkleurige stupa’s lonkten.

Ik liep en liep maar. Ik had al een paar trishaws voorbij zien komen en vond dat ik het mezelf makkelijker kon maken door er een aan te houden. Ik vroeg de man om mij naar de Paya (tempel) te rijden. Vanaf dat moment heb ik die dag geen stap meer verzet.

De trishaw is de Birmese versie van de riksja. Het verschil is dat de passagier niet zoals in India op een bankje voor de fietsende bestuurder zit, maar ernaast in een soort zijspan. Meestal is er plaats voor twee passagiers die dan mety de rug naar elkaar zitten.

Thein pakte een betelnoot uit een zakje dat hij in zijn lungi bewaarde en fietste mij in enkele uren een hele reeks tempels langs die ik allemaal braaf bekeek, terwijl ik ondertussen het meest genoot van het zitten in mijn stoeltje naast de fietsende Twa. Die moest daar hard voor werken en op enkele korte hellingen moest hij afstappen en duwen. Ik wilde dan het liefst opstaan en mee duwen maar dat weigerde hij absoluut. Waarschijnlijk zou dat voor hem als gezichtsverlies voelen, terwijl het geduwd worden bij mij het oude sluimerende schuldgevoel opriep, het cliché van de vadsige blanke die door een zwetende magere inlander een heuvel wordt opgeduwd.

Thein had ook de gewoonte om af en toe onder het fietsen een flinke straal knalrood betelsap uit te spugen en op willekeurige momenten riep hij ineens heel hard HEEEE en uitte daarbij een schrille hoge lach. Een paar keer kreeg hij een opmerking van omstanders, vast iets in de trant van: “zooo, mooi vrachtje heb je daar”….  Daar had Thein echt geen problemen mee. Hij wist dat er aan het eind van de middag, na de vijfde tempel, er een mooie beloning voor hem wachtte. Dit was een goeie dag en hij had de huur van de trishaw voor vandaag er vast dubbel en dwars uit.

SEXTOERIST?
Dit was het laatste beeld dat ik van Nederland zag. Schiphol bedekt door een fijn laagje sneeuw terwijl de startbaan geveegd werd en de vleugels met antivries werden bespoten. Het gevolg was dat we twee uur te laat vertrokken. Daarna volgden ruim tien uur in de vliegtuigstoel aan het raampje naast een Noor met wit haar en overgewicht.
De man was zesenzestig en had in de toeristenplaats Pattaya een vriendin waar hij vijf maanden per jaar het leven mee deelde. Het leven in Thailand is goedkoop, maar het vriendinnetje niet. Haar familie bracht allerlei kosten met zich mee: cadeautjes, reisjes, medische kosten en ditjes en datjes en natuurlijk wordt bij alles verwacht dat de oude blanke man dokt. Bij de relatie van zo’n jonge vrouw met een oudere westerse man kunnen een hoop mensen baat hebben.
Een beetje beschroomd vroeg ik hoe oud zijn vriendin was.
”Tweeëndertig jaar”,  en hij keek mij triomfantelijk aan.
Nou dat viel me nog mee. Ik had niet raar opgekeken als ze achttien jaar was geweest.. Toen ik naar het toilet liep viel mij opeens op hoeveel mannen boven een zekere leeftijd  in dit vliegtuig alleen reisden. Ik zag opeens mijzelf in het gangpad staan en besefte dat ik bij een categorie mannen leek te horen  waar ik helemaal niet bij wilde horen, de pensionado die met zijn late libido bij tientallen jaren jongere Thaise vrouwen aan zijn gerief komt. Dat schijnen er behoorlijk veel te zijn. Hoewel: mijn Noorse buurman zou ik niet persé als een sextoerist willen omschrijven, hij had kennelijk een soort van relatie met die jeugdige Thaise.
Not me…zei ik tegen de Noor. Ik wilde gewoon weer eens een grote reis maken, naar onder meer Birma en dat ik in dat onbekende land op een dag in februari op een nu nog onbekende plaats zestig jaar zal worden. In mijn eentje, dat is wel zeker.
De Noorse dikzak keek me verwonderd aan: ‘Helemaal alleen? Dat zou ik nog geen drie weken vol houden.”
THAILAND

Ik was blij aan de duisternis en de kou van de Hollandse winter te zijn ontsnapt en ondanks de vuile stadslucht in Bangkok was de aankomst in Thailand een warm bad. Het verschil met Amsterdam bedroeg meer dan dertig graden.

Er was werk aan de winkel. De volgende dag moest ik ’s ochtends vroeg naar de ambassade van Birma om mijn visum aan te vragen. In de nog koele ochtend stond voor de muur met het opschrift Embassy of Myanmar al een lange rij toeristen te wachten tot de poort zou opengaan. Enmaal binnen liep het soepel en na het betalen van 1035 Baht aan de vriendelijke ambassademedewerker kon ik mijn paspoort inleveren. Volgende dag ophalen.

De volgende klus was om tweeduizend knisperend nieuwe dollars te bemachtigen. Birma houdt er namelijk voor buitenlanders een apart geldcircuit op na waar alleen met dollars betaald kan worden en niet in de lokale munt Kyatt. Dat geldt in ieder geval voor hotels, spoorwegen en entree voor musea, tempels en dergelijke. Voor het overige kun je wel in Kyatt betalen, dus je moet er zelf ook twee geldstromen op na houden. Je dollarbiljetten mogen geen vouw,scheurtje of vlekje hebben anders worden ze geweigerd, naarik gehoord heb omdat de Birmese nationale bank ze vanwege de nog steeds niet helemaal opgeheven sancties alleen in China kwijt kan.                                                                        In Birma zelf kun je geen dollars kopen dus je moet je hele budget cash bij je hebben. De paar geldautomaten in Yangon accepteren onze bankpassen niet.                                            Ik had besloten om mijn euro’s in Thailand om te zetten in dollars want Thaise wisselkantoren rekenen gewoon de dagkoers zonder commissie, anders dan in Nederland. Toen ik erom vroeg kreeg ik ook meteen de gloednieuwe dollarbiljetten die ik nodig had.

Verder boekte ik op het station een trein boeken van Bangkok naar Butterworth in Maleisië voor na mijn terugkeer uit Birma en ook alvast een vlucht van Kuala Lumpur naar Sumatra want ik vermoedde dat boeken via internet vanuit Birma lastig ging worden. Het geld wisselen en het boeken namen me zo in beslag dat ik bijna vergat dat ik de volgende dag om half vier weer bij de Birmese ambassade mijn paspoort op moest halen.

Ik had geen geweldige herinneringen aan een eerder verblijf in Bangkok, vijftien jaar terug. Ik herinnerde me het waanzinnige verkeer en de monsterlijke gebouwen van spiegelglas en beton die het zicht op de blauwe hemel beperkten. Maar zoveel jaar later viel me opeens het rustige beheerste gedrag van de inwoners op. Ondanks de hitte en het enorme ruimtegebrek schijnen er onder de Thai vrij strikte codes te zijn over hoe je je dient te gedragen en daar houdt iedereen zich aan. Hard praten en drukte maken is bijvoorbeeld totaal not done, evenals afval op straat gooien, voordringen, op straat eten en toeristen lastig vallen of naroepen. Als er drie Thai staan te wachten bij een metrohalte stellen ze zich in de rij op zodra de trein er aan komt. Als er zes Thai staan te wachten gaan er drie links en drie rechts staan met in het midden een brede opening voor degenen die uitstappen. Bij de haltes is met pijlen op de grond aangegeven waar de instappers moeten gaan staan om de uitstappers niet te hinderen.

Nadat ik mijn paspoort had opgehaald bij de ambassade nam ik de skytrain, waarmee je de stad vanaf zo’n tien meter hoogte prachtig kan bekijken, naar het Lumbinipark om een beetje bij te komen van al het geregel. Het Lumbinipark ligt in het hart van Downtown maar het is groot en het verkeer klinkt er nog slechts als een zacht gebrom in de verte. Er liepen wat wandelaars en joggers en verder heerste er een weldadige rust. Ik lag in het gras en keek uit op een vijver met bomen aan de overkant die nietig leken door de enorme kantoortorens die er achter oprezen. Na een poosje klonk er een stukje verderop muziek. Toen ik daar naartoe liep zag ik een menigte van een paar honderd mensen die ritmische lichaamsoefeningen deden begeleid door een discodreun onder leiding van een jonge vrouw op een podium. De muziek kwam uit een telefoon die was aangesloten op een versterker. Het was een uiterst gevarieerd publiek:  Middelbare scholieren en secretaressen van kantoren in de omgeving naast oudere dames en mannen met een buikje.

Opeens klonk er een venijnige stem uit een luidspreker midden in het park. De aerobicsmuziek stopte meteen en iedereen bleef stokstijf staan op de plaats waar hij stond, ook de wandelaars en de joggers stonden stil. De stem hield een korte toespraak en toen schetterde het volkslied van Thailand uit de luidsprekers. Niemand bewoog of sprak tijdens de ceremonie. Ook toeristen worden geacht eerbiedig te blijven staan als het volkslied klinkt. Het koningshuis, het volkslied en de natie genieten in Thailand het allerhoogste respect. Belediging van een van die zaken kan zelfs een stevige gevangenisstraf opleveren. Misschien is het ook wel de trots van een volk dat nooit is gekoloniseerd.

De volgende dag zat ik al vroeg op het grote station van Bangkok te wachten op de trein naar de luchthaven vanwaar ik naar Birma zou vliegen. Het was druk en midden in de hal zat een grote groep kinderen op de grond omdat alle stoeltjes bezet waren. Iemand had een gitaar en sloeg een paar snaren aan. Meteen blies een van de geuniformeerde bewakers hard op een fluitje. In het station mocht geen muziek worden gemaakt. De kinderen praatten zachtjes verder met elkaar, bijna converserend zoals volwassenen. Eigenlijk hoorde je niet dat het kinderen waren maar ze leken niet getemd of onderdanig. Ik neem aan dat het een kwestie van opvoeding is. Je hoort als Thai geen lawaai te maken en het leidt tot gezichtsverlies wanneer je anderen overlast bezorgt.

Om precies acht uur klonk weer de stem die het volkslied aankondigde. Iedereen in de hal, de kinderen en alle andere mensen die zaten te wachten, schoten rechtop en stonden doodstil en kaarsrecht. Het was net een film die was stil gezet. Het fenomeen was mij zo onbekend dat ik bijna moest lachen, maar tegelijk ontroerde het ook omdat het zo’n grote verbondenheid  en trouw aan iets gezamenlijks suggereert.

Ik stapte even later in een aftands dieseltje dat me naar de oude luchthaven van Bangkok zou brengen, die nu gebruikt wordt door onder andere low budget maatschappijen als Air Asia. Daarmee zou ik naar Yangon vliegen, naar de buren. En ik wist al bij voorbaat dat het daar waarschijnlijk een stuk sjofeler en ongeregelder zou zijn, zoals in een huis waarin een gezin woont dat het minder goed heeft getroffen in het leven en waar men noodgedwongen probeert zijn eigen kostje bij elkaar te scharrelen

Advertenties

2 gedachten over “Teksten

  1. Ach Bert maak als je weer in de gelegenheid bent svp foto’s van die pijlen voor het in en uitstappen bij het OV kunnen de mensen hier wellicht iets van leren ha,ha om een of andere reden sta ik vaak als eerste te wachten en stap dan als laatste in ;-(

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s